Achterlangs

Willem Wilmink

 

 

De meeste treinen rijden achterlangs het leven.

Je ziet een schuurtje met een fiets ertegenaan.

Een kleine jongen is nog op, hij mag nog even.

Je ziet een keukendeur een eindje openstaan.

Als je maar niet door deze trein werd voortgedreven,

zou je daar zonder meer naar binnen kunnen gaan.

 

Zodra de schemer was gedaald,

was je niet langer meer verdwaald.

 

En je ontmoette daar niet eens verbaasde blikken.

Je zou toch komen? Iedereen had het vermoed.

Ze zouden even haast onmerkbaar naar je knikken,

want wie verwacht is, wordt maar nauwelijks begroet.

Je zou je zomaar aan hun tafel kunnen schikken

en alle dingen waren plotseling weer goed.

 

Zodra de schemer was gedaald,

was je niet langer meer verdwaald.

 

Je hoefde daar geen druppel alcohol te drinken,

want grenadine zou je smaken als cognac.

Je zag het haardvuur achter micaruitjes blinken,

er kwam een merel zitten op het dak.

En die paar mensen die je nooit hebt kunnen missen,

kwamen daar binnen met een lach op hun gezicht.

Je zou je voortaan nooit meer in de weg vergissen,

je deed het boek van alle droefenissen dicht.

 

Maar ach, de trein is doorgegaan

en kilometers daarvandaan.

 

 

(uit: Verzamelde liedjes en gedichten. Deel 1, 2004)



>>